Geschiedenis: Twentse Grijzen & Bruinen
 

Van vechter, via eierlegger tot hobbydier: het Twentshoen

Het enige dat ik in hun nadeel vernam was hun mindere verdraagzaamheid onderling en tegenover andere rassen, maar het bloed kruipt, waar het niet kan gaan en zou men dan iets anders van de afstammelingen van vechthoenders mogen verwachten?" Zo schreef een zekere W.H.J. uit Bronkhorst in 1930 in de kerstbijlage van De Bedrijfspluimveehouder. "De hanen werden met een scherp mes van de kam ontdaan en enige weken voor een eventueel gevecht werden ze met roggebrood geweekt in bier gevoerd." "Een veertig jaar geleden dan, was men in Twente nog verzot op hanengevechten. Ik weet niet of het een toelaatbare sport was, doch in elk geval, ze werd nog beoefend, hoewel mijn vader toen al beweerde dat het op een eind liep."



TIJDPERK 1: Biethaon
Een kleine vijftig jaar werden de Twentse hoenders dus als vechthoen gebruikt, aangezien ze zo rond 1850 in de buurt van Lonneker bij Enschede ontstaan zijn uit kruisingen van het destijds aanwezige Twentse boerenhoen (of Drents landhoen?) met Maleise vechthoenders, zilver Duckwings, een oud-Engels vechthoen, of Belgische vechthoenders. "Een toevalsproduct, dat later constant doorgefokt is door een enkele liefhebber." Of was het de bedoeling een eigen vecht hoenras te fokken? Veel meer dan deze citaten is er eigenlijk niet bekend van de eerste halve eeuw uit de bestaansgeschiedenis van het Twentse hoen (De redactie houdt zich aanbevolen voor diegene die meer informatie over de hanengevechten kan aanleveren). Houwink vermeldt in een reisverhaal uit 1888 dat hij naast landhoenders in het Duits-Nederlandse grensgebied allerlei kruising producten aantrof. In 1892, volgens anderen al rond 1885, werden ze voor het eerst door de gebroeders Lasonder uit Enschede geshowd. In 1919 zag Van Gink ze voor het eerst op een tentoonstelling in Enschede (ingestuurd door Westenberg). In 1925 verschenen ze voor het eerst op Duitse tentoonstellingen als Bentheimer Kraienköppe. Deze naam zouden ze niet verkregen hebben omdat ze uiterlijk op kraaien leken, maar omdat ze zo hard hun 'gekraai' konden laten horen.



TIJDPERK 2: Twentse Grijze Nadat de Twentse hoenders als vechthoen en ook als tentoonstellingsdier minder in zwang geraakten, werden ze gekruist met zilverpatrijs Leghorns om de productie op te voeren en ontstond de Twentse Grijze. Door het Aziatisch bloed leverden de Twentse hoenders een licht getint ei, feitelijk een geelbruin ei, maar velen zagen dit als een miskleur, waardoor misschien het mislukken als productiehoen in tegenstelling tot Barnevelder of Welsumer te verklaren valt. Toch was een toom gemiddelde van 200 eieren per jaar niet ongewoon. In Duitsland stak dorpsonderwijzer Wieking uit Brandlecht bij Nordhorn zich in de schulden -zonder dat zijn vrouw het wist- om op 2500 m(2) Kraienköppe te gaan fokken om de leg te verbeteren. Naast de bekende zilverpatrijs kleur die het meest voorkwam en verantwoordelijk was voor de naam Twentse Grijze, waren er eveneens (goud)patrijskleurige maar ook witte, zwarte, koekoek en zalmkleurige Twentse Hoenders. De witte kwamen in 1942 nog in de buurt van Markelo voor. Toevoeging Ehlert J.M.A. ( Dit wil niet zeggen dat deze kleurslagen fokzuiver werden gefokt, het waren kruising producten met andere rassen, b.v. leghorn met een Twentse Grijze eerste generatie zal wit zijn i.v.m. dominante witte factor van de leghorn, 2de generaties vallen diverse kleurslagen, in die tijd wilde men een goede vechtersbaas op het erf hebben en dat was de Twentse Grijze. Hierdoor ontstonden dan op de boerderijen diverse kleurslagen en na jaren begonnen ze dan ook steeds meer te lijken op een Twentse Grijze alleen met een andere kleurslag)



TIJDPERK 3: Twents Hoen
Na de Tweede Wereldoorlog was het in navolging van vrijwel alle andere rassen in Nederland gedaan met het Twentse hoen en kwamen de hybridenrassen in opmars. Bij de inventarisatie door de SZH in 1978 werden er nog 27 hanen en 151 hennen bij 15 fokkers en 3 instituten geteld. Opvallend daarbij was dat hieronder slechts 4 fokkers uit Twente zelf kwamen (=22%). Anno 1994 telde de Twentse Hoenderclub zo'n 60 leden waaronder 33 actieve fokkers, waarmee duidelijk is dat het Twentse Hoen nog steeds vrij zeldzaam is, ondanks het feit dat naast de zilverpatrijs ook de (goud)patrijs weer gefokt werd en dus de naam Twents Hoen i.t.t. Twentse Grijze beter van toepassing was. Het zou zonde zijn als het Twentse Hoen uit zou sterven en daarmee voor de derde keer door de mens aan de kant zou zijn gezet, na vechthaan en vervolgens eierhoen nu ook als hobbydier mislukt. IN VOGELVLUCHT rond 1800: landhoen (uit zilverpatrijs Drents/Twents landhoen?) rond 1850: vechthoen (gele poten/rode oren) met landhoen inslag, vooral veel aandacht voor de haan (GROFGEBOUWD) begin 19de eeuw: landhoen met vechtersinslag (FIJNGEBOUWD), vooral veel aandacht voor de hen na de oorlog verwaarloosd/bijna uitgestorven 1986: Conclusie: te klein (haan 2-2.5 kg / hen 1.75-2 kg) 1994: Zwaarder maar toch nog steeds licht ras (haan: 2.5-3 kg / hen 1.75-2.5 kg



Tekst: René Zanderink ( Bron Avicultura 110e jaargang / no 12 1996 )